Gepubliceerd op: maart 2026

Werkenden in armoede zijn mensen die betaald werk hebben, maar door een te laag inkomen toch onder de armoedegrens leven. In de afgelopen jaren is er geleidelijk meer aandacht gekomen voor de groep werkenden in armoede. Eerder onderzoek richt zich vooral op de groep werkenden in armoede op een bepaald moment in de tijd en kijkt naar de omvang en samenstelling ervan. Het merendeel van de werkende armen is actief als zelfstandige, parttimer of oproepkracht. Werknemers zijn vooral arm door een klein aantal arbeidsuren in het huishouden, zelfstandigen door een laag uurtarief.

Dit onderzoek naar armoede onder werkenden richt zich meer op de dynamiek van werken in armoede. Welke werk- en armoededynamieken zijn te identificeren? Wat zijn de oorzaken van deze armoede(dynamiek)? Daarnaast onderzoeken we de relatie tussen objectieve armoede (huishoudinkomen onder de armoedegrens) en subjectieve armoede (met (grote) moeite rond kunnen komen) onder werkenden.

De belangrijkste lessen uit het onderzoek zijn:

  1. Er is een grote dynamiek in de groep werkenden in armoede. Er zijn grote stromen in en uit werken in armoede. Voor de meeste mensen is werken in armoede een tijdelijk fenomeen. Een relatief kleine groep werkenden blijft wel langer in armoede.
  2. De weg uit werken in armoede loopt voornamelijk via werk. We zien drie routes uit werken in armoede. De meest voorkomende route is een situatie waarin mensen blijven werken en de inkomenssituatie structureel verbetert. Deze route wordt gevolgd door ongeveer 70 procent van de mensen die uit werken in armoede geraken. Zij gaan meer uren werken en hun uurloon of uurtarief neemt toe. Ongeveer 15 procent blijft, terwijl zij werken, in een kwetsbare inkomenspositie. Zij hebben een inkomen net boven de armoedegrens of vallen weer terug onder de armoedegrens. De overige 15 procent stroomt uit naar een situatie zonder werk. Ongeveer de helft van de mensen die dit overkomt, gaat naar een inkomen boven de armoedegrens, de andere helft blijft onder de armoedegrens.
  3. Er is een disbalans tussen de objectieve inkomenssituatie en de subjectieve armoede-ervaring. Veel meer huishoudens ervaren armoede dan er objectief gezien in armoede leven. Tegelijkertijd zijn er relatief veel huishoudens die geen armoede ervaren bij een inkomen onder de armoedegrens.
  4. Instabiele werkomstandigheden en een slechte gezondheid vergroten de kans op het ervaren van armoede. Meer onzekerheid over het inkomen en een gebrek aan perspectief op beter werk kunnen ervoor zorgen dat iemand eerder armoedeproblemen ervaart.